Continue glucosemonitoring (CGM) is in korte tijd geëvolueerd van een onmisbaar medisch hulpmiddel bij diabetes naar een populaire gadget in de duursport. Deze wearables worden vermarkt als “brandstofsensoren” die in real time meten, en beloven atleten en coaches een rechtstreekse blik op metabole efficiëntie, ideale bijtankmomenten en readiness. Maar ondersteunt de wetenschap die claims?
Een uitgebreide review van Helleputte, Podlogar en Gonzalez (2025), gepubliceerd in Performance Nutrition, onderzoekt kritisch wat CGM fysiologisch betekent bij topduursporters zonder diabetes. Deze samenvatting geeft coaches en atleten de huidige wetenschappelijke kennis achter de data, en praktische manieren om die inzichten toe te passen.
Onderzoeksmethode
De auteurs voerden een grondige review uit van de huidige literatuur over de fysiologische mechanismen van glucoseregulatie en over de validiteit, nauwkeurigheid en praktische bruikbaarheid van CGM-technologie bij niet-diabetische sportpopulaties. Ze beoordeelden de evidentie in verschillende domeinen: bijtankstrategieën in real time, inspanningsgebonden hypoglycemie (“de man met de hamer”), reboundhypoglycemie, opvolging van trainingsbelasting, slaapkwaliteit en algemene voeding.
Belangrijkste bevindingen
De review legt een aanzienlijke kloof bloot tussen de marketingclaims en de fysiologische evidentie.
- De validiteitskloof (interstitieel vs. bloedglucose). CGM’s meten geen bloedglucose, ze meten glucose in de interstitiële vloeistof, het vocht tussen de cellen. Dat introduceert een fysiologische vertraging van 5 tot 10 minuten in rust, die tijdens inspanning fors kan oplopen en erg onvoorspelbaar wordt, net wanneer de glucosewaarden snel veranderen. CGM’s slagen er niet in die snelle veranderingen te vatten. Daarbovenop neemt de nauwkeurigheid van CGM significant af tijdens hoogintensieve inspanning en bij lage glucosewaarden (onder 4.0 mmol/L).
- Geen echte “brandstofsensor”. Bloedglucose is slechts een fractie (ongeveer 4 gram) van de circulerende koolhydraten en levert maar 20 tot 30% van de energie tijdens langdurige inspanning. Het grootste deel van de energie komt uit spierglycogeen, vetten, lactaat en ketonlichamen. De belangrijkste brandstofbron voor de werkende spier is spierglycogeen. Omdat spierglycogeen de bloedbaan niet kan verlaten, kan een CGM het niet meten. Er is een volledige dissociatie tussen circulerende glucosewaarden en de totale koolhydraatbeschikbaarheid.
- Geen bewezen “performance zone”. Het concept van een “glucose performance zone”, het idee dat je output maximaliseert door glucose op een specifiek, verhoogd of erg stabiel niveau te houden, mist elke causale evidentie. Studies bij ultratrailers en professionele wielrenners vonden geen enkel verband tussen wedstrijdtijden, vermogensdata en glucoseconcentraties tijdens de wedstrijd.
- De kracht van homeostase. Een gezond lichaam is bijzonder efficiënt in het bewaken van glucose binnen een smalle normoglycemische marge (3.9 tot 7.8 mmol/L), zelfs bij zware inspanning en een koolhydraatrijk dieet. Wanneer glucose tijdens inspanning piekt of daalt, is dat vaak een regulerende respons op een verandering in intensiteit, bijvoorbeeld de catecholaminegestuurde glucoseafgifte door de lever tijdens sprints, en niet zozeer een teken van je bijtankstatus.
- Nachtelijke data en overtraining. Zware energierestrictie of low energy availability kan de nuchtere bloedglucose verlagen, maar de huidige evidentie voor het gebruik van nachtelijke CGM-profielen om overreaching op te sporen of slaapkwaliteit te volgen is schaars, niet sluitend en erg gevoelig voor “compression lows”, de vals lage waarden die ontstaan wanneer je op de sensor ligt.
Interpretatie
De belangrijkste conclusie voor coaches is dat een glucoseconcentratie het resultaat is van aanvoer- en afvoersnelheden, en geen maat voor metabole flux. Een stabiele of verhoogde waarde op je scherm garandeert niet dat de spierglycogeenvoorraden volstaan. Omgekeerd betekent een dalende glucoselijn niet automatisch dat een atleet te weinig bijtankt. Het betekent enkel dat de glucoseopname door de spier op dat moment gelijk is aan of net iets hoger dan de afgifte door de lever.
CGM reactief gebruiken, dus wachten tot je een daling op het scherm ziet voor je koolhydraten neemt, gaat in tegen de basisprincipes van sportvoeding. Goed opgebouwde bijtankstrategieën zijn proactief, berekend om de intestinale opnamesnelheid te maximaliseren (90 tot 120 g/u koolhydraten) en het spierglycogeen te beschermen vóór uitputting optreedt. Blind varen op CGM-data leidt tot te veel bijtanken, met maag-darmklachten tot gevolg, of tot onnodige voedingsangst wanneer er perfect normale glucosepieken na een maaltijd optreden.
De technologie heeft wel één erg bruikbare niche: in kaart brengen hoe gevoelig iemand is voor reactieve (rebound) hypoglycemie. Wanneer je 30 tot 90 minuten voor de inspanning koolhydraten neemt, kan de insulinepiek samen met de insuline-onafhankelijke glucoseopname bij de start van de inspanning zorgen voor een tijdelijke duik in de glucosewaarden. CGM helpt je nagaan of de futloosheid of duizeligheid van een atleet bij het begin van een sessie daarmee te maken heeft.
Praktische tips voor coaches en atleten
- Proactief in plaats van reactief bijtanken. Gebruik een CGM nooit om te bepalen wanneer of hoeveel je tijdens een wedstrijd eet. Plan je koolhydraatinname op basis van duur en intensiteit, bijvoorbeeld 60 tot 90 g/u of meer bij lange inspanningen, en oefen dat consequent in training om de darm te trainen.
- Beheers het venster voor de start. Voelt een atleet zich in de eerste 30 minuten van de inspanning duizelig of slap (reboundhypoglycemie), gebruik dan CGM-data in training om de voeding voor de inspanning bij te sturen:
- Neem 2 tot 3 uur voor de start een koolhydraatrijke maaltijd om het leverglycogeen veilig aan te vullen.
- Vermijd koolhydraatinname tussen 90 en 15 minuten voor de start.
- Wil je toch nog vlak voor de start bijtanken, neem dan een gel net voor je vertrekt of tijdens een actieve opwarming, zodat de inspanning begint voor de insuline piekt.
- Wees niet bang van de piek na de inspanning. Een tijdelijke stijging van je glucose na een maaltijd of tijdens het herstel is volkomen normaal en erg nuttig. De bijhorende insulinerespons is nodig om de hersynthese van spierglycogeen te maximaliseren en het anabole herstel op gang te trekken. Koolhydraten mijden uit angst voor “glucosepieken” ondermijnt je prestatie van de dag erna zwaar.
- Leg het scherm weg als het je stress geeft. Leidt het opvolgen van glucosedata tot obsessief bijsturen van calorieën, angst voor gewone voeding of piekeren voor het slapengaan, haal de sensor er dan af. Voor gezonde atleten geeft een standaard vingerprik in de ochtend een goedkopere, minder ingrijpende en even informatieve maat voor de basisgezondheid, zonder het risico op vals lage nachtwaarden.
Referentie
Helleputte, S., Podlogar, T. & Gonzalez, J. Application potential of continuous glucose monitoring (CGM) in elite endurance athletes without diabetes: what do physiology and current evidence tell us? Performance Nutrition 1, 13 (2025). https://doi.org/10.1186/s44410-025-00013-7
